
Oorsprong
Toen Benedictus
(480-550) in 529 zijn eerste klooster stichtte in
Montecassino werd hij de stichter van de orde van de
Benedictijnen en alzo de stamvader van de kloosters
in West-Europa.
Zijn leefregel
luidde: ora et labora (bid en werk).
De visie van
Benedictus was zo opgevat dat de kloosterlingen niet
mochten afgeleid worden door de buitenwereld en er
niet afhankelijk mochten van zijn. Zoveel mogelijk
zelfverzorgend. De kloostertuinen hadden daardoor
een belangrijke functie als 'nutstuin'.
Kloostertuin van
Utrecht
Leefwereld
Monniken staan voor
vroomheid, soberheid en terugtrekking uit de wereld
om zich aan geestelijke ontwikkeling
(spiritualiteit) te wijden. De monnik staat ook voor
genezing (als eerste boden kloosters ziekenhuiszorg
aan!!), schuilplaats voor reizigers, geleerdheid en
gedisciplineerde arbeid.
Eeuwenlang zoeken
religieuzen naar balans, een evenwicht tussen
bidden, leren, werken; tussen ziel en lichaam. De
8-8-8 regel is ons voldoende bekend. Deze regel is
nog steeds herkenbaar in hun doen en in hun
levensregel: vieren (liturgie), leren (catechese) en
dienen (diaconie).
Zoals ieder ander
mens zijn monniken onophoudelijk aan het zoeken naar
verlichting, innerlijke waarheid, hun ware zelf: dit
door bezinning en reflectie.
Zelfonderhoud
De meeste kloosters
konden in hun eigen levensonderhoud voorzien
(zelfbedruipend). Ze hadden daarom door de eeuwen
heen een voortrekkersrol gespeeld bij het
verspreiden van kennis van de geneeskrachtige
kruiden en gewassen. De tuin had in de middeleeuwen
bovendien allerlei religieuze bijbetekenissen. Zo
verbeeldde hun tuin het aards paradijs, de maagd
Maria, verwijzend naar de tekst in het Hooglied die
ons over de bruid spreekt als een 'Besloten Tuin'
(hortus conclusus).
Aanleg
Een kruidentuin werd
omsloten door 3 muren en was alleen naar het westen
toe open. Hierdoor hadden de noorden- en oostenwind
geen vat op de jonge plantjes. De tuin lag ook vlak
naast de keuken en het ziekenzaaltje was dichtbij.
In de tuin werden
vooral kruiden gekweekt met medicinale werking. Dit
naar aanleiding van het Concilie van Nicea (325)
waar de bisschoppen besloten dat christenen zieken
moesten verzorgen als werk van barmhartigheid en als
teken van naastenliefde.
Wetenswaardigheden over kloosterkruiden
- Monniken in de
middeleeuwen geselden zich als boetedoening met
zelfgemaakte zweepjes van brandnetelstengels.
- Men legde echte
hysop in het graf van de monnik. De bijbel heeft het
vaak over hysop. Men strooide het plantje op de
zandbodem. Bij het betreden ervan kwamen aangename
geuren vrij. De Joden beschouwden het als een heilig
kruid dat symbool stond voor vergeving.
- Koloniserende
monniken brachten het kruid rozemarijn al in de
vroeg-christelijke periode over de Alpen. In de
middeleeuwen plantte men rozemarijn nog steeds
voornamelijk in kloostertuinen aan.
- Echte salie: dit
dwergstruikje verspreidde zich in West-Europa vooral
via kloostertuinen.
- Venkel:
oorspronkelijk van Azië kwam venkel via allerlei
handelsrouten naar Zuid-Europa. Het waren vooral
kloostertuinen die de plant in het noordelijk gebied
verspreidden zoals dat trouwens het geval was met
vele andere Zuid-Europese genees- en keukenkruiden
(vb. tijm).
Enkele
'voor'-lopers
Hildegard von
Bingen (1098-1179), Benedictijner Abdis. Duitse
mystica en kruidkundige. Ze was paranormaal begaafd,
ook op muzikaal vlak (componiste) en schreef een
groot aantal medische en natuurkundige boeken. Zij
beschouwde de gezondheid als een samenspel tussen
lichaam en geest en formuleerde gouden regels voor
een levenskunst om gezond te leven. Ze gold als één
van de belangrijkste en invloedrijkste vrouwen in de
middeleeuwen.
Augustijn Gregor
Mendel (1822-1884), leefde in Königskloster in
Brünn en heeft veel voor de veredeling van gewassen
gedaan. Met behulp van erwten ontdekte hij
belangrijke principes van de erfelijkheidsleer.
De Karthuizerorde
van St.-Bruno (6 oktober), ontwikkelde op basis
van een Elzasserelixir (medicijn) de beroemde
'Chartreuse'.
Dom Pérignon
(1639-1715), aan wie de methode champenoise, de
bereidingswijze van Champagne, wordt toegeschreven.
Naar hem is ook de Champagne van het wijnhuis Moët
et Chandon genoemd: Champagne Dom Pérignon. Hij
heeft vooral het fermentatie- of gistingsproces op
punt gesteld.
Vergeten we ook niet
dat de wijnbouw veel te danken heeft aan monniken en
zusters die in de middeleeuwen druivenrassen in
stand hebben gehouden.
Slot
Tegenwoordig lijken
vele kloosters opnieuw een voortrekkersrol te
vervullen. In hun beleid gaat de teelt van gewassen
en kruiden samen met de zorg voor de schepping.
Waar actie en
contemplatie mooi verenigbaar zijn, daar blijven de
kiemen van ons geloof bloeien.
Monniken hebben hun
leven lang (en nu nog) het evenwicht gezocht tussen
bidden, leren en werken. Voor hen zijn vele dingen
mysterie en dat blijven ze ook. In de mate dat zij
zich er kunnen bij neerleggen, kunnen zij tot rust
komen en gelukkig worden. Zij gaan ons voor en
inspireren ons om naar hun voorbeeld te leven.
A.M.