|
HET VORMSEL ONTDAAN VAN ZIJN FRANJES
Inleiding
Ooit decreteerde paus Pius X dat kinderen vanaf 7 jaar de eucharistie mochten ontvangen. Sindsdien spreken wij van kinderen die hun “eerstecommunie” doen. Voordien was de eerste volledige deelname aan de eucharistie op twaalfjarige leeftijd voorzien. Voor hen werd het voortaan de “Plechtige Communie”. Deze benaming mag gerust naar de archieven verplaatst worden. Belangrijker is dat we weten dat het accent verlegd is naar de toediening van het H. Vormsel.
Deze toediening omvat in hoofdzaak drie delen: 1) Hernieuwing van de doopbeloften 2) De handoplegging 3) De zalving met olie
Hernieuwing doopbeloften en geloofsbelijdenis
Bij een kinderdoop hebben de ouders de belofte uitgesproken hun kind christelijk op te voeden. Bij het vormsel zal het kind die belofte bevestigen. Er is ook gevraagd aan de ouders of zij geloven in God, in Christus, in de H. Geest en in de kerk van Christus. Bij het vormsel zal het kind dat geloof bevestigen (confirmeren): het zal zichzelf als christen bekennen. In de catechese wordt gevraagd in hoever zij dat reeds getoond hebben. Verwijzend naar Jezus’ parabel van de zaaier wordt er gevraagd waar het zaad van het doopsel terechtgekomen is? Op de weg, tussen de rotsen, tussen de distels en doornen of in goede en vruchtbare grond? Op zoek naar vruchten voortgebracht door de goede aarde wordt gevonden: zich inzetten, hartelijk zijn, vergeven, kunnen delen… “Geloven zonder de werken, is een dood geloof” zei Luther.
De handoplegging
Onze handen kunnen wij handig gebruiken voor veel dingen. Zij kunnen ook uiting geven aan onze gevoelens. Zij kunnen ook een symbolische waarde uitdrukken. Zij worden ingeschakeld voor allerlei rituelen. Zo ook bij de sacramenten. Bij de handoplegging van het vormsel wordt de verbondenheid tussen God en de mens uitgedrukt. Op het gewelf van de Sixtijnse kapel in Rome schilderde Michelangelo God die met zijn uitgestrekte vinger het leven doorgeeft aan Adam. God wil aan de mens een beschermend en koesterend gebaar stellen: “Je mag op Mij vertrouwen, zegt God, ik wil jouw toeverlaat zijn in goede en kwade dagen.” Elke mens heeft nood aan vertrouwen. Maar dat vertrouwen moet wederkerig zijn. I.a.w. de vormeling krijgt meteen een opdracht. De handoplegging bij het vormsel is dus ook al een beetje uit handen geven: “Je wordt nu volwassen, jij bent nu aan zet, het ga je goed”. In de bijbel zijn talrijke voorbeelden die deze betekenis van handoplegging benadrukken.
De zalving met olie
De vormheer zalft met chrisma. Dit woord is afgeleid van “Christus”, een Grieks woord dat “Gezalfde” betekent. Olie is een teken van rijkdom (toen al), genade en zegen. De koningen van Israël werden bij hun aanstelling met olie gezalfd. Van Jezus wordt gezegd dat Hij de Gezalfde van God is (in het Hebreeuws: Messias). De vormeling wordt gezalfd om in de geest van de Gezalfde (de Christus) te leven. Olie heeft het kenmerk door te dringen in de hardste steen. De Geest van Jezus, de heilige Geest moge dan ook blijvend de vormeling begeesteren. Terwijl de vormheer de beide handen uitstrekt over de vormelingen, vraagt hij om de gaven van de geest: wijsheid en inzicht, raad en sterkte, de geest van vroomheid en liefde, eerbied voor Gods heilige Naam. Om dit sacraal moment te bekrachtigen wordt vooraf een tijd van stilte ingebouwd. De vruchten van de geest uiten zich in liefde, vreugde, vrede, geduld, vriendelijkheid, goedheid, geloof, zachtmoedigheid, zelfbeheersing.
H.V.R.
Terug naar indexpagina hoofdartikels
|