De huidige pastorie was eertijds een bebouwde hofstede
op een perceel grond van 120 roeden en werd in 1730
begrensd “door de straete tussen het kerckhof en een
partije land”, door de erfgenamen van Gillis van
Doorslaer, den boomgaard van de erfgenamen Andries
Herremans en door “d’erve genoemt De Swaene”.

Deze bestaande laagbouw werd in 1730 aangekocht door
Martinus Willocx, griffier en Philips Reyntens uit de
Vitsstraat. Deze twee rijke ingezetenen van Opdorp
verwierven deze eigendom van de baljuw van Bornem, een
zekere Frans Reyntens. Samen betaalden ze er 480 gulden
voor.
Hun bedoeling was om deze hofstede af te staan aan de
nieuwe pastoor van Opdorp, een religieus uit de abdij
van Affligem en zijn opvolgers. Als voorwaarde werd
gesteld dat de Abdij als tiendeheffer zou instaan voor
een nieuwe vloer in witte en blauwe steen in de pas
gebouwde kerk. En zo geschiedde het.
Maar op een bepaald moment kwam een onderpastoor dienst
doen in de parochie en het gebouw voldeed niet meer aan
de behoeften van de bewoners.
In 1784 werd een aanvraag ingediend om de pastorie te
vergroten met een verdiep en een kelder. De Opdorpse
gemeenschap was hierbij behulpzaam en zorgde voor de
aanvoer van de nodige materialen. Voor de financiering
van de totale ombouw stond andermaal de abdijgemeenschap
van Affligem in. Aldus bekwam Opdorp een statige
pastorie met een voortuin.
De Vlaamse gemeenschap heeft op 6 juni 2002 de huidige
pastorie erkend als beschermd monument, bekend ten
kadaster: Buggenhout - Opdorp, 2° afdeling, sectie A,
perceel 232A, wegens de artistieke, historische en
wetenschappelijke waarde.
Het huidige gebouw heeft de typologische bouwkenmerken van
een 18de eeuwse pastorie met dubbelhuisopstand en
indeling. Het is een zeer herkenbaar en stijlvol gebouw dat
door zijn inplanting achter een fraaie voortuin met
taxushagen en -boompjes afgesloten door een smeedijzeren
hekken dat zeer beeldbepalend is.
De artistieke waarde ligt vooral in de nog aanwezige
authentieke interieurelementen uit de 17de en 18de
eeuw, zoals de overwelfde kelder, de barokke trap,
schouwmantel en de met stucwerk versierde bepleisterde
zolderingen en schouwboezems in Lodewijk XVI stijl in de
verschillende salons.
De stijlvolle en kwalitatieve aankleding volgt duidelijk de
invloed van de vernieuwende trend in de stedelijke
architectuur van de late 18de eeuw.

De wetenschappelijke, meer bepaald boomkundige waarde van de
pastorietuin wordt vooral bepaald door de formele aanleg met
prachtige taxushagen en geschoren taxusboompjes in de
voortuin. Het ijzeren toegangshekken is een zeldzaam wordend
en zeer beeldbepalend element in de landelijke dorpskom. Aan
de inkomdeur van de pastorie bevindt zich nog de originele
voerschraper.
|